Vroeger was alles beter. Sportliefhebbers mijmeren vaak graag over de goede oude tijd toen het wielrennen, voetbal of de autosport nog niet in de greep was van de commercie en waar de sporthelden na hun winnende partij gewoon een biertje dronken met de fans in het hotel. Dezelfde fans schelden graag op het huidige sportklimaat, waar de sponsors de dienst uitmaken, de de ziel soms uit de sport is gehaald. Vandaag in de special: Was vroeger alles beter?
Het circuit van Hockenheim is niet uniek. Sinds 2002 is de Duitse omloop er een geworden zoals zoveel moderne circuits, met asfaltstroken, een overzichtelijke lay-out en prima voorzieningen. Voor dat jaar was Hockenheim een gevreesde baan. Lange rechte stukken door het bos en een bochtig stadiongedeelte betekenden dat de afstelling van de auto altijd een hoofdbreker was. Hockenheim lag er al sinds jaar en dag zo bij en de veranderingen in 2002 waren weliswaar leuk voor de aanwezige fans, voor de coureurs en de televisiekijkers viel een stuk historie weg. Verstokte fans mokten. Weer een 'oud' deel van de sport dat plaats moet maken voor het grote geld.
In de jaren '70 was de sport inderdaad een stuk toegankelijker dan nu. De paddock was niet zo afgeschermd van het grote publiek, coureurs maakten rustig een praatje met de fans en de toegangskaartjes kostten niet het godsvermogen dat je anno 2008 moet neerleggen. Maar ook in die tijd waren er al lieden die waarschuwden dat de sport de verkeerde kant op ging, net als vandaag. Sponsoren waren al heel belangrijk en coureurs verdienden meer en meer. Het hebben van een goede auto was ook toen belangrijker dan het hebben van de juiste talenten. Natuurlijk kwamen de beste coureurs wel bovendrijven, maar in een ATS ging je echt geen races winnen. Net zoals je dat nu kan vergeten in een Honda.
Dertig jaar geleden waren er net zoveel fans die riepen dat het vroeger allemaal beter was. In de jaren '50 was de sport tenminste nog rauw en puur. De coureurs waren helden met stofbrillen en een leren kapje, die hun Maserati's en Ferrari's over levensgevaarlijke circuits stuurden. Sponsoren? Nooit van gehoord. Een Italiaans team was rood, een Brits team was groen en een Duits team was zilver. Klaar.
Allemaal heel romantisch, maar het verleden kende ook zeker schaduwzijden. Zo waren de circuit vaak belachelijk onveilig. De oude Nordschleife was in de jaren '50 niet veel meer dan een uitgehakt asfaltpad in het bos. Bomen stonden direct naast de baan en als de coureurs een kik gaven, mochten ze de vangrails er zelf wel plaatsen. In de jaren '70 waren de circuits ietsje verbeterd, maar nog steeds verre van veilig. De auto's bevatten in de fifties geen gordels en waren gemaakt van staal. Het idee erachter was dat als een auto stevig genoeg was om niet al te veel te beschadigen bij een impact, dat het dan wel veilig was. Waar de fabrikanten niet over nadachten was, dat het lichaam van de coureur dan de volledige klap moet opvangen. De energie van de impact gaat richting de coureur, in plaats van de auto. Daarom spatten de huidige wagens ook zo spectaculair uit elkaar. Allemaal om de energie van de crash weg te houden van de man of vrouw achter het stuur.
In de jaren '70 begon men te experimenteren met downforce en lichte materialen. Helaas boden die materialen niet veel meer bescherming dan een stukje zilverpapier en was het geheel ook nog eens zo brandbaar als een in benzine gedrenkt houtblok. Veiligheid was iets voor watjes, zo was de instelling. De coureurs werden toch goed betaald? Nou dan. Rijden. Niet zeuren als je eens een been breekt. Het mocht dan wel zo zijn dat de sport dichter bij de fan stond, de fan moest ook regelmatig treuren om het verlies van een van zijn helden. En dat kan een sport nooit goed doen.
De Formule 1 anno nu is niet meer te vergelijken met de sport van dertig jaar geleden. De laatste dode viel veertien jaar geleden, een record, en de sport is zo veilig, dat een coureur bijna lachend uitstapt na een crash met meer dan driehonderd op de teller. Fans kunnen dus helden hebben, zonder te vrezen dat ze ooit voor hun ogen zullen sterven. Het pure racen is er niet beter op geworden, maar ook die wanklank klinkt al jaren door op de paddock. Er moet meer ingehaald worden, maar hoeveel is meer? Wanneer is inhalen nog iets bijzonders en wanneer gebeurt het zo vaak dat het niet langer iets is waarvoor we met z'n allen op de banken gaan staan? Natuurlijk is de huidige aërodynamica van een Formule 1-auto een ramp voor de achtervolger. En dat gaat dan ook veranderen, maar het is te hopen dat het inhalen iets speciaals blijft en dat we niet een kunstmatig leuk gehouden raceklasse gaan zien.
Vroeger waren een aantal dingen zeker beter. De sport was meer ontspannen, minder in de greep van de bobo's. Maar vroeger vielen de coureurs ook als vliegen en droop het amateurisme er soms vanaf. Je kon het charme noemen, maar tegenwoordig zien we alle acties, trainingen en races live en hoeven we ons niet zorgen te maken over of een van onze helden zich misschien zal doodrijden. De Formule 1 gaat met zijn tijd mee en hoewel het soms moeilijk is voor ons, de fans, hebben we geen keuze. We moeten meegaan. En we zullen altijd klagen, maar een paar keer per seizoen komt er een race voorbij waar we allemaal naar de televisie staan te schreeuwen. En dat doen we al bijna zestig jaar.
Abonneer en krijg toegang tot Motorsport.com met je adblocker
Van Formule 1 tot MotoGP: we brengen het laatste nieuws, diepgaande analyses en exclusieve interviews rechtstreeks uit de paddock. Om ons vak zo goed mogelijk uit te kunnen voeren, worden er op de website advertenties getoond. We merken op dat je een adblocker gebruikt en willen je vragen om deze uit te zetten. Daarnaast geven we je de mogelijkheid om abonnee te worden en voor een klein bedrag te genieten van een advertentievrije website.
Beste reacties