Succes in de Formule 1: Welk team heeft de meeste titels?

Het eerste seizoen van het officiële Formule 1-wereldkampioenschap vond plaats in 1950, maar pas in 1958 werd de constructeurstitel uitgereikt. Wat zijn de meest succesvolle F1-teams in de historie?

Succes in de Formule 1: Welk team heeft de meeste titels?

In de eerste jaren draaide de Formule 1 enkel om de prestaties van de coureurs. Pas vanaf 1958 werden ook de successen van de constructeurs beloond. Het constructeurskampioenschap kreeg voor de eerste jaren de naam International Cup for F1 Manufacturers en veranderde later nog diverse malen van naam. Ook de regels gingen een aantal keren op de schop: tot 1980 scoorde alleen de best geklasseerde wagen per team punten voor dit kampioenschap. Vandaag de dag tellen de resultaten van beide rijders per team mee.

Welke teams hebben de meeste constructeurstitels behaald? En hoeveel kampioenschappen bij de rijders gingen daarmee gepaard? 

1. Ferrari - 16 constructeurstitels, 15 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 1961, 1964, 1975, 1976, 1977, 1979, 1982, 1983, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2007, 2008
Coureurskampioenschappen: 1952, 1953, 1956, 1958, 1961, 1964, 1975, 1977, 1979, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2007

Ferrari is met afstand het meest succesvolle Formule 1-team uit de historie. In de Grand Prix van Toscane 2020 vierde het haar jubileum van de duizendste race. In 1961 won Ferrari haar eerste constructeurstitel met Phil Hill, Richie Ginther en Wolfgang von Trips als rijders. De Duitse coureur kwam bij de voorlaatste race om het leven op Monza. Controversieel genoeg werd de wedstrijd niet stilgelegd en pakte Hill belangrijke punten. Hij won uiteindelijk de titel bij de rijders met een punt voorsprong op Von Trips. 

Ferrari was in 1964 opnieuw de beste en versloeg BRM, terwijl John Surtees zijn enige titel bij de coureurs behaalde. In de jaren 70 legde het team uit Maranello beslag op nog eens vier constructeurskampioenschappen met Niki Lauda als teamleider naast Clay Regazzoni en later Carlos Reutemann. Jody Scheckter en Gilles Villeneuve bezorgden Ferrari in 1979 de titel, terwijl het duo ook de eerste twee posities in het rijderskampioenschap veroverde. 

In 1982 en 1983 volgden nog twee constructeurskampioenschappen, al ging in beide gevallen de titel bij de rijders naar een concurrent. Vervolgens duurde het liefst zestien jaar voordat Ferrari weer een titel bij de constructeurs veroverde: de winst in 1999 betekende de kickstart voor een zeer dominante periode. Het team pakte onder leiding van Jean Todt en Ross Brawn liefst zes titels op rij, met in die periode ook vijf kampioenschappen bij de coureurs voor Michael Schumacher.

Sindsdien heeft het Italiaanse team minder succes gekend, al werd in 2007 en 2008 nog beslag gelegd op de constructeurstitel. Kimi Raikkonen won in 2007 de titel, Felipe Massa greep een jaar later in de laatste ronde van de laatste race naast het kampioenschap en zag Lewis Hamilton er met zijn eerste hoofdprijs vandoor gaan. 

Hoewel Ferrari in de jaren 10 regelmatig vooraan te vinden was, was het merk niet in staat om de dominantie van de concurrentie te doorbreken. Eerst bleek Red Bull Racing vier jaar op rij te sterk waarna Mercedes het stokje overnam en de sport domineerde.

2. Williams - 9 constructeurstitels, 7 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 1980, 1981, 1986, 1987, 1992, 1993, 1994, 1996, 1997
Coureurskampioenschappen: 1980, 1982, 1987, 1992, 1993, 1996, 1997

Williams stapte in 1978 als constructeur in de Formule 1. Met teameigenaar Frank Williams en topontwerper Patrick Head werd al in het derde volledige seizoen de titel bij zowel de rijders als de teams veroverd. Alan Jones en Carlos Reutemann vormden dat jaar de line-up. In 1981 volgde een tweede titel. Ford stuwde Keke Rosberg in 1982 naar de hoofdprijs bij de coureurs maar de constructeurstitel werd pas weer in 1986 en 1987 met de sterke Honda-motor gewonnen.

In de jaren 90 volgde een tijdperk van Williams-dominantie. In zes seizoenen tijd veroverde het Britse team met een Renault-motor liefst vijf constructeurstitels. In die periode pakten opvallend genoeg liefst vier verschillende Williams-coureurs de rijderstitel: Nigel Mansell, Alain Prost, Damon Hill en Jacques Villeneuve. De titel in 1994 werd overschaduwd door het dodelijke ongeval van Ayrton Senna op Imola in pas zijn derde race voor het team. David Coulthard en Nigel Mansell maakten het seizoen vol.  

Toen de grote rivaal Michael Schumacher van Benetton naar Ferrari verkaste, keerde Williams terug aan de top. In 1996 pakte de herboren Damon Hill de titel, een jaar later gevolgd door zijn jonge teamgenoot Jacques Villeneuve. In beide jaren ging ook de constructeurstitel naar Grove. Het jaar daarna deed Williams nog regelmatig vooraan mee maar bleek een ommekeer in het succesverhaal. Topontwerper Adrian Newey verhuisde naar McLaren en Renault trok zich terug als motorleverancier.

Bij de eeuwwisseling zakte Williams, mede door een ingrijpende reglementsverandering, verder terug. Met BMW-motoren volgde een korte wederopstanding maar de formatie kwam nooit meer tot de grote successen uit het verleden. De afgelopen jaren zakte Williams steeds verder af en was de voorbije seizoenen enkel in de verre achterhoede te vinden. In 2020 deed de familie Williams de renstal van de hand aan Dorilton Capital, dat hoopt de iconische naam weer terug naar de top te brengen. 

3. McLaren - 8 constructeurstitels, 12 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 1974, 1984, 1985, 1988, 1989, 1990, 1991, 1998
Coureurskampioenschappen: 1974, 1976, 1984, 1985, 1986, 1988, 1989, 1990, 1991, 1998, 1999, 2008

McLaren werd in 1963 opgericht door de Nieuw-Zeelander Bruce McLaren, het eerste Formule 1-optreden van het team vond plaats in de Grand Prix van Monaco in 1966. De racende oprichter boekte twee jaar later in de Belgische GP zijn eerste overwinning, al duurde het tot 1974 voordat de eerste titels bijgeschreven konden worden. McLaren zette dat jaar drie wagens in. De uiteindelijke wereldkampioen Emerson Fittipaldi bleek de meest constante van de rijders achter het stuur van de M23. 

In 1984 vormden Alain Prost en Niki Lauda de line-up van de Britse renstal. Zij zorgden voor het kleinste verschil in de eindstand van het wereldkampioenschap Formule 1: slechts een half punt. De Oostenrijker ging er met de hoofdprijs vandoor, hoewel hij minder races won en vaker uitviel. Het jaar erna legde Prost op overtuigende wijze beslag op zijn eerste titel, terwijl McLaren voor het tweede seizoen op rij bij de constructeurs ongenaakbaar bleek. 

De beste periode van McLaren in de Formule 1 vond plaats tussen 1988 en 1991. Het team won vier constructeurstitels op rij, op dat moment een unicum in de historie van de sport. Dit tijdperk wordt vooral herinnerd door de bittere rivaliteit tussen Ayrton Senna en Alain Prost, waarbij de teamgenoten twee jaar op rij van de baan gingen in de strijd om de kroon. 

McLaren heeft sinds die tijd nog maar één constructeurstitel binnengehaald, al werd in diezelfde periode driemaal het kampioenschap bij de coureurs gevierd: tweemaal Mika Hakkinen (in 1997 en 1998) en eenmaal Lewis Hamilton in 2008.

4. Mercedes - 7 constructeurstitels, 9 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020
Coureurskampioenschappen: 1954, 1955, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020

Er waren tijden dat Mercedes de Formule 1 niet domineerde zoals de afgelopen jaren het geval was. Toch heeft het grote Duitse merk geen enorme historie in de F1. Mercedes zette enkel in 1954 en 1955 als fabrieksteam bolides in, om vervolgens pas in 2010 terug te keren. Juan Manuel Fangio won in die eerste jaren beide seizoenen de titel, al racete hij in 1954 in de eerste twee races nog voor Maserati alvorens de overstap te maken. In die periode werd de constructeurstitel nog niet uitgereikt, dus het merk met de ster moest zestig jaar wachten op het eerste kampioenschap voor fabrikanten.

Mercedes keerde in 2010 terug in de Formule 1 nadat Brawn GP werd overgenomen. Het merk verleidde Michael Schumacher tot een rentree na een afwezigheid van vier jaar, landgenoot Nico Rosberg kwam over van Williams. In 2013 werd Schumacher vervangen door Lewis Hamilton. Een jaar later begon een historische hegemonie toen de V6 turbo hybridemotoren hun intrede deden.

Begin 2021 had Mercedes zeven opeenvolgende titels bij de constructeurs én de coureurs binnengesleept, een record in de Formule 1. Het record stond met zes constructeurs- en vijf coureurstitels tussen 1999 en 2004 op naam van Ferrari. Hamilton was goed voor zes titels, eenmaal ging de winst naar Rosberg. Een paar dagen later zei de Duitser de sport vaarwel, waarna Valtteri Bottas de overstap maakte naar het topteam. De Fin heeft sindsdien bijgedragen aan het binnenslepen van vier constructeurstitels. In de gehele historie van Mercedes heeft het team slechts eenmaal een race gereden zonder Fangio, Schumacher of Hamilton als coureur: de Grand Prix van Sakhir 2020. Hamilton ontbrak daar vanwege een coronabesmetting.

5. Lotus - 7 constructeurstitels, 6 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 1963, 1965, 1968, 1970, 1972, 1973, 1978
Coureurskampioenschappen: 1963, 1965, 1968, 1970, 1972, 1978

De naam Lotus gaat hand in hand met de Formule 1, met dank aan de innovatieve oprichter Colin Chapman. Lotus stond in de Grand Prix van Monaco 1958 voor het eerst op de startopstelling. De eerste constructeurstitel volgde vijf jaar later. Dat jaar won het team met Jim Clark zeven van de tien races, waarmee de Schot ook beslag legde op de eerste van zijn twee wereldtitels.

Lotus was in 1965 met Clark wederom de beste, in 1968 gevolgd door de coureurstitel van Graham Hill. In 1970 volgde meer succes voor Lotus, al ging het succes ook gepaard met drama. Jochen Rindt kwam op tragische wijze om het leven bij de Grand Prix van Italië, nadat hij dat jaar al vijf races voor het team had gewonnen. In de daaropvolgende vier GP’s werd Rindt niet meer ingehaald door de concurrentie en zo werd hij de enige postume F1-kampioen uit de historie. 

In 1972 en 1973 volgden, met dank aan Emerson Fittipaldi, nog eens twee constructeurstitels. De meest fameuze titel dateert uit 1978. Halfweg het seizoen introduceerde het team de Lotus 79 met grondeffect. Het concept bleek een enorm succes en Lotus was enige tijd oppermachtig. Mario Andretti en Ronnie Peterson eindigden op de eerste twee posities in het kampioenschap, al kwam de Zweed nog voor het einde van het seizoen om het leven bij een tragisch ongeval. 

6. Red Bull - 4 constructeurstitels, 4 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 2010, 2011, 2012, 2013
Coureurskampioenschappen: 2010, 2011, 2012, 2013

Red Bull debuteerde in 2005 in de Formule 1 nadat het energiedrankenmerk het raceteam van Jaguar overnam. Een belangrijke slag werd op personeelsgebied geslagen door topontwerper Adrian Newey aan te trekken. De Brit was in de jaren 90 verantwoordelijk voor het grote succes van Williams en stond aan het einde van de eeuw aan de basis van de titelwinnende McLarens. 

In 2010 werd met het rijdersduo Sebastian Vettel en Mark Webber de eerste constructeurstitel binnengehaald. Het tweetal bleef na een spannende strijd rivaal McLaren nipt voor. De strijd om de titel ging tot het gaatje. Ferrari-coureur Fernando Alonso begon als WK-leider aan de seizoensfinale, op de voet gevolgd door Webber. Uiteindelijk ging de titel na een zenuwslopende ontknoping toch naar Vettel, die in Abu Dhabi het hoofd het koelst hield. 

De drie daaropvolgende seizoenen domineerde Red Bull. De voorsprong op de concurrentie was aanzienlijk maar de coureurs maakten er onderling af en toe een aardig potje van. In de Grand Prix van Maleisië 2013 sloeg de vlam in de pan, toen Vettel de fameuze teamorder ‘Multi 21’ negeerde, zijn teamgenoot passeerde en de winst pakte. Webber stond daarna nimmer meer op de hoogste trede van het podium en verliet aan het einde van het jaar de F1. 

In het eerste jaar van het nieuwe V6 hybride-tijdperk sloot Red Bull nog achter Mercedes aan als ‘best of the rest’ maar het team zakte, mede door de moeizame relatie met motorpartner Renault, vervolgens weg. Een nieuwe samenwerking met Honda en de entree van Max Verstappen boden hoop, al laat een nieuwe titel nog op zich wachten.

7. Cooper - 2 constructeurstitels, 2 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 1959, 1960
Coureurskampioenschappen: 1959, 1960

Het fabrieksteam van Cooper won als eerste formatie twee constructeurstitels op rij: in 1959 en 1960 was het de beste. In beide jaren pakte hun Australische coureur Jack Brabham de titel bij de coureurs. Dat deed hij in ’59 met twee overwinningen en in ’60 met vijf zeges op rij. Teamgenoot Bruce McLaren deed met enkele overwinningen en een handvol podiumklasseringen ook een duit in het zakje. 

De Cooper 51, aangedreven door een Climax-motor, werd in die periode ook ingezet door een aantal privateer teams. Een van de coureurs voor deze formaties was Stirling Moss, die in 1959 twee races won met dezelfde bolide waarmee Brabham de titel pakte. Cooper was ook het eerste team dat de wereldtitel won met een wagen waarbij de motor achterin was geplaatst. Sindsdien is die opstelling gemeengoed in de F1.

8. Brabham - 2 constructeurstitels, 4 coureurstitels 

Constructeurskampioenschappen: 1966, 1967
Coureurskampioenschappen: 1966, 1967, 1981, 1983

Het Brabham F1 Team werd in 1960 opgericht door Jack Brabham: het jaar waarin de Australische coureur in dienst van Cooper zijn tweede F1-titel veroverde. De eerste race van de renstal volgde halfweg het seizoen 1962. Vier jaar later werd de eerste constructeurstitel binnengehaald, met een wagen aangedreven door een motor van de Australische firma Repco. De constructeurstitel werd in 1967 met succes verdedigd, terwijl het kampioenschap bij de rijders naar hun rijder Denny Hulme ging. Hij is tot op heden samen met Niki Lauda (in 1984) de enige rijder die de titel won zonder een pole-position te hebben getraind. De oprichter van het team eindigde dat seizoen als tweede.

Brabham won de titel bij de constructeurs niet meer maar boekte nog wel enkele successen. Het team bezorgde Nelson Piquet zijn eerste twee titels bij de coureurs in 1981 en 1983, en ontwikkelde de fameuze BT46B ‘fan car’ in 1978. De unieke bolide, ontwikkeld door Gordon Murray, won in handen van Niki Lauda de Grand Prix van Zweden alvorens verboden te worden. 

9. Renault - 2 constructeurstitels, 2 coureurstitels

Constructeurskampioenschappen: 2005, 2006
Coureurskampioenschappen: 2005, 2006

De krachtbronnen van Renault hebben in de loop der jaren heel wat coureurs en teams naar titels gestuwd: Williams en Benetton in de jaren 90 en Red Bull tussen 2010 en 2013. Het eigen team had wisselend succes met diverse overwinningen en de tweede plaats in het constructeurskampioenschap van 1983. Als fabrieksteam heeft Renault ‘slechts’ twee hoofdprijzen in de kast staan. In 2005 en 2006 werden beide titels binnengehaald. Het knappe is dat de eerste werd behaald in het laatste jaar van het 3.0 liter V10-tijdperk, en de tweede in het eerste jaar met de 2.4 liter V8. 

In beide gevallen vormden Fernando Alonso en Giancarlo Fisichella de line-up. De Spanjaard was met afstand de dominante factor binnen het team. Zijn eerste titel kwam na een lang gevecht met McLaren-coureur Kimi Raikkonen, de tweede winst kwam na een heftig duel met Ferrari’s Michael Schumacher. In beide gevallen ging de strijd om het constructeurskampioenschap tot het gaatje. In 2005 was de marge op rivaal McLaren uiteindelijk negen punten, een jaar later bedroeg het verschil met Ferrari slechts vijf puntjes. 

Renault trok het fabrieksteam eind 2011 terug uit de Formule 1, om vijf jaar later alweer terug te keren. Sinds de rentree heeft de formatie weinig grote successen kunnen vieren. Daniel Ricciardo scoorde in de GP van de Eifel 2020 het eerste podiumresultaat sinds de comeback.

10. Vanwall, BRM, Matra, Tyrrell, Benetton, Brawn - 1 constructeurstitel

Constructeurskampioenschappen: 1958, 1962, 1969, 1971, 1995, 2009
Coureurskampioenschappen: 1962 (BRM), 1969 (Matra), 1971 en 1973 (Tyrrell), 1994 en 1995 (Benetton), 2009 (Brawn)

Zes teams hebben eenmaal de constructeurstitel gewonnen. Vanwall schreef in 1958 de allereerste op hun naam, met een volledig Britse line-up bestaande uit Stirling Moss - die in april 2020 op 90-jarige leeftijd overleed - , Tony Brooks en Stuart Lewis-Evans. BRM won haar enige titel in 1962 met Graham Hill en Richie Ginther. Matra trok in 1968 de stekker uit het F1-project en droeg de boel over aan Ken Tyrrell, die vervolgens met de dominante Matra MS80 in handen van Jackie Stewart de titel pakte. Stewart won in 1971 nogmaals, Francois Cevert droeg zijn steentje bij aan het constructeurskampioenschap. 

Sindsdien hebben slechts twee teams eenmaal de titel bij de constructeurs gewonnen. Benetton pakte in 1995 met Michael Schumacher en Johnny Herbert de hoofdprijs, Brawn won in 2009 de titels in het enige jaar dat het onder die naam aan de start stond. 

 

gedeeld
reacties
VIDEO: Lance Stroll door de ogen van Lance Stroll

Vorig artikel

VIDEO: Lance Stroll door de ogen van Lance Stroll

Volgend artikel

Felipe Massa; Eeuwig verbonden aan Interlagos 2008

Felipe Massa; Eeuwig verbonden aan Interlagos 2008
Laad reacties

Over dit artikel

Kampioenschap Formule 1
Auteur Joe Holding