Terug naar 1979: Renault schrijft F1-geschiedenis

De gele theepotten werden ze gekscherend genoemd: toen Renault eind jaren '70 de Formule 1 betrad met een revolutionaire turbomotor, had vrijwel niemand fiducie in de wagens van het Franse merk. Maandenlang was het aanmodderen – de bolides gingen loeihard, maar volhouden tot de finish deden ze het zelden. Tot die eerste julidag van 1979, toen de Régie een hoofdstuk in de historie van de F1 opende.

Met Jean-Pierre Jabouille achter het stuur van de RS01 is het in de zomer van 1977 zover: na lang wikken en wegen maakt Renault haar entree in het summum van de autosport, de Formule 1. In het handjevol races dat het Franse merk afwerkt – niet elke Grand Prix wordt bezocht – slaat Renault een modderfiguur. De kwalificatieprestaties van Jabouille zijn over het algrmeen niet denderend en mocht dat wel het geval zijn, is het een mirakel als hij de eindstreep haalt.

Het verloop van 1978 geeft niet bijzonder veel hoop. Liefst viermaal op rij valt Jabouille uit vanwege een opgeblazen motor: een vierde plaats op Watkins Glen, in die tijd goed voor drie schamele WK-puntjes, is een piepklein doekje voor het bloeden. Ondanks dat een enkel sterk kwalificatieoptreden in het tweede gedeelte van het jaar hoopgevend is, kan de Régie zich verre van rijk rekenen.

Van één naar twee theepotten

Wat doe je als het niet loopt? Juist, dan verhoog je de inzet. Met niet één, maar twee wagens verschijnt Renault in het voorjaar van 1979 op de deelnemerslijst in Argentinië. Vijf uitvalbeurten, een weinig tot de verbeelding sprekende tiende plek, een poleposition en drie Grands Prix later staat de teller echter nog op de hatelijke nul. Wegens een probleem met de aandrijfas en daaropvolgende incidenten bij Jabouille en Arnoux moeten teamleiders Jean Sage en Gérard Larrousse beide wagens zelfs terugtrekken in Long Beach.

Dankzij de introductie van de RS10 vallen puzzelstukjes echter op hun plaats. Je houdt het amper voor mogelijk: in Monaco moeten Jabouille en Arnoux het doen met een startplaats op de laatste rij, vijf weken later staan ze met een aangepaste, onofficieel tot RS11 gedoopte wagen op één en twee voor het thuispubliek in Dijon-Prenois. Het Renault-duo moet Ferrari-coureur Gilles Villeneuve de eerste helft van de race gunnen, alvorens de banden van de Canadees minder worden en Jabouille hem kan inrekenen.

Wat volgt is een spectaculair duel om de tweede plaats die menig oudere Formule 1-liefhebber in het geheugen gegrift staat. Villeneuve komt in de schoot van Arnoux terecht, waarop de Fransman en de Canadese publiekslieveling een ongehoorde strijd uitvechten. De ene ronde passeert het gele kanon de glijdende wagen van de Scuderia, in de volgende omloop worstelt de voormalig ijsracekampioen zich langs zijn tegenstander. Arnoux en Villeneuve vechten op het scherp van de snede, houden niet bijzonder veel rekening met het fenomeen 'track limits' en krijgen het publiek bovendien op de banken.

De winnaar van het zeer enerverende duel is Villeneuve, echter: nadat Jabouille hem had ingehaald ging het natuurlijk 'slechts' om P2. De Fransman is voor eigen publiek naar een snaarstrakke zege gereden, de allereerste van hemzelf maar nog belangrijker: de allereerste van Renault en de allereerste voor een turbowagen. Een tijdperk was begonnen. Binnen drie jaar legde vrijwel elke grote fabrikant een turboblok in het achteronder, waarop waanzinnige snelheden werden bereikt en ongekende racemonsters werden geboren.

Voorbode voor meer

Ondanks dat Renault in haar eerste stint in de Formule 1, na die eerste zege, vaak voorin het veld was te vinden, werd men nimmer kampioen. Alain Prost, die Jabouille in 1981 zou aflossen, kwam met name in '83 bijzonder dichtbij – de Professeur bleek uiteindelijk niet opgewassen tegen Nelson Piquet. Als motorleverancier boekte Renault grote successen met Williams (constructeurstitels in 1992, '93, '94, '96 en '97) en met Benetton ('95). Na een terugkeer als fabrieksformatie kon Fernando Alonso in 2005 en '06 bovendien twee felbegeerde rijderstitels combineren met twee teamkampioenschappen.

Als motorleverancier blijft Renault via meerdere teams aan de Formule 1 verbonden, ook als het fabrieksteam omgedoopt wordt in Lotus. Dankzij Sebastian Vettel en Red Bull mogen de Fransen tussen 2010 en 2013 nog eens vier wereldtitels aan hun conto toevoegen, waardoor het merk één van de meest gedecoreerde wordt van de sport. 171 Grand Prix-zeges zijn er inmiddels geboekt door een wagen met een Renault-motor, waarbij aangetekend moet worden dat drie daarvan werden behaald met een naar TAG Heuer omgebadgde krachtbron.

Door: René Oudman

[photo,308110,left,]

gedeeld
reacties
Rowland denkt kans te maken op Renault F1-stoeltje
Vorig artikel

Rowland denkt kans te maken op Renault F1-stoeltje

Volgend artikel

Wolff boos op Jordan: “Hij moet stoppen met geruchten te verspreiden"

Wolff boos op Jordan: “Hij moet stoppen met geruchten te verspreiden"
Laad reacties